Terug naar vorige pagina

kriek, het aan zijn ~ hebben

uitdr.
Definitie

Status:Onbekend

niet echt ziek zijn

Woordenboek der Nederlandsche Taal: In gemeenzame taal eene benaming voor het achterste, en bij uitbreiding voor het lichaam. .
Ik heb pijn in mijn hooft, in mijn rug, in mijn krieck, R. Visscher, Brabbeling (ca 1600).
In Zuid-Nederland alleen in eene zegswijze bekend (zie Cornelissen-Vervliet: "Waar is hij ziek ? Van achter aan zijn kriek.").

vgl. ziek aan uw kriek

Voorbeelden

Twee koningen, twee koningen
Den derde dien is ziek
Wat heeft em, wat heeft em?
Hij heeft het aan zijn kriek
(Driekoningenlied door twee koningen gezongen)

Toegevoegd door Georges Grootjans - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 27 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025