DISCLAIMER: Dit artikel werd nog niet redactioneel bewerkt en daarom kan de kwaliteit ontoereikend zijn.

Label(s)

- geen labels gekoppeld.
Betekenis

doek

Woordenboek der Nederlandsche Taal: Plak: Lap, doek. [Gewestelijk] (b.v. in Limburg) in gebruik voor: doek in 't algemeen en, vooral in samenstellingen, ook voor bepaalde soorten van doeken.

zie ook maalplak

Publicatiegegevens
Suggestie door
LeGrognard - VL-WBK 1.0
Redacteur
Vlaams Woordenboek
Eindredacteur
Vlaams Woordenboek
Publicatiedatum
18/12/2025
Laatste bewerking
18/12/2025

Noa datter oetgeglietsj (oetglietsje) is lupper mèt ziene erm in de plak.
Nadat hij uitgegleden is loopt hij met zijn arm in een doek.

Een vrouwendoek heet eenvoudig plak; een halsdoek of das halsplak, en een zakdoek teschplak, Onze Volkst. (uit het Woordenboek der Nederlandsche Taal)

< andere definitie van plak