Definitie

Status:Onbekend

OVT:
ik, gij, hij, zij zei, zeij, zee, zeej, zeed
welle, zelle zeiën, zeiden, zeeën, zeden

zeide: volgens VD2014 online: verouderd

VD:
hem, hed, hemmen gezei, gezeid, gezeij, gezee, gezeej, gezeed
het is gezei, gezeij, gezee, gezeej

Voorbeelden

Ik zee tegen hem: 'doet dat op tijd weg' maar ni luisteren en ni doen, terwijl dat ik het nog zo gezei hem.

Iet wat welle al hemmen gezeej of wat zelle hemmen gezeed?

Wat zee-t-em? Als [m] slopt dan lee-t-em.

Ze zeeën dat ze gingen winkelen maar daarna zeiën ze dat ze maar thuis bleven.

Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 05 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025