beuzelpraat

de~, (m.), geen mv.
Definitie

leugen, roddelpraat, kwakkel, zever

zie ook beuzelen, beuzel, beuzelaar

Voorbeelden

Die beuzelpraat over wat ze in de boekskes schrijven, gelooft ge nu toch zelf niet?

Met 1 april vertellen we al eens beuzelpraatjes om mensen beet te nemen. "[Aprilvis]"! roepen we dan.

Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 07 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025