boemlala

de ~, m zst. nw geen meerv.
Definitie

Status:Onbekend

De “boemlala” is in feite een geïmproviseerd slaginstrument en was al veel langer populair in cafés en op familiefeesten. Het apparaat bestond meestal uit een grote pollepel, een paar vaatdoeken en een deksel van een kookpot. De bespeler bindt de vaatdoek rond de knieën en steekt de pollepel erdoor, met de bolle kant naar zijn buik gericht. Nu wordt het doek met die pollepel een beetje opgewonden en het deksel wordt voor de buik gehouden. Als de “muzikant” door zijn knieën zakt en ze naar de buitenkant beweegt, dan slaat de pollepel “boem” tegen het deksel. Brengt hij de knieën terug bij mekaar dan gaat de pollepel van de “cymbaal” weg, klaar voor een volgende “boem”. (beschrijving www.wreed-en-plezant.be)

Afbeelding zie hier

Voorbeelden

Jef ge moet naar huis toe gaan a vrake die is ziek. (bis)
Is ze ziek? Laat ze ziek, dat ze maar rap genezen is.
En Jef ging niet naar huis,
en Jef ging niet naar huis
REFREIN:
want, Jef speelde liever op den boemlala
den boemlala den boemlala (2x)
(De Kadullen: tekst zie hier, liedje zie hier)

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 23 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025