Definitie

Status:Onbekend

hefboom om water te putten, met aan de ene kant een heizeling met een puthaak voor de emmer en aan de andere kant een tegengewicht om het ophalen van de volle emmer te vergemakkelijken

Woordenboek der Nederlandsche Taal: zwik: ([Gewestelijk], in Vlaams-België) Putzwengel, putwip, zwingel.

De bende huilde en tierde; ik zag op eenige stappen voor mij eene putzwik naar beneden gaan, en eene minuut daarna hoorde ik verwarde stemmen, een bangen kreet die uit eene deels toegewrongen keel scheen voort te komen; de zwik ging andermaal in de hoogte en ik zag eene zwarte gestalte spartelen, zwieren, slingeren en stuipachtige bewegingen maken, Snieders (ed. 1877) 1869.

Voorbeelden

Sommige putten hadden een zwik om water op te halen, bij andere werd gebruik gemaakt van een ketting die rond een rondhout gedraaid was.

zie andere betekenis van zwik

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 07 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025