wilt

persoonsvorm van modaal werkwoord
Definitie

Willen wordt vervoegd als volgt:
ik wil (wul)
gij wilt (wult)
hij/zij/het wilt (wult)
wijlie willen (wullen)
gijlie wilt (wult)
zijlie willen (wullen)

Er zijn zeer veel uitspraakvariaties mogelijk.

Woordenboek der Nederlandsche Taal: De analogische vorm (hij) wilt, die in het Middelnederlands voor Brabant geattesteerd is, wordt, naast (hij) wil, tamelijk frequent aangetroffen in de 16de en de eerste helft van de 17de e., en is thans gewestelijk nog gewoon in Vlaams-België en Nederlands-Limburg.

taaladvies.net: In sommige delen van het taalgebied wordt de t in de spreektaal toegevoegd bij de derde persoon enkelvoud van willen: hij wilt. Deze vorm is geen standaardtaal.

Voorbeelden

Het wilt maar niet regenen, alles gaat kapot van de droogte.

Britse prins wilt geen protocol meer: “Noem me gewoon Harry” (hln.be 26 februari 2020)

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 07 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025