rijeren

ww., rijerde, heeft gerijerd
Definitie

Status:Onbekend

hevig bibberen

Woordenboek der Nederlandsche Taal: modern lemma: rijeren, daarnaast rijderen
< Middelhoogduits rîderen. Frequentatieve vorm van Rij(d)en: Rillen, bibberen, sidderen, huiveren. Hetzelfde als Rijelen.
In Noord-Nederland verouderd.
"Rijeren van de körts" Cornelissen-Vervliet (1899)

ook in Zuid-Limburg
in Antwerpen en Lier: rijlen

Voorbeelden

Hij stond daar te rijeren van de kou.

Ge kunt ook rijeren van de schrik.

Gerijerd van de koorts heb ik gedaan voor dat mijn amandelen werden getrokken.

Toegevoegd door sin - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 04 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025