Definitie

Een lomperik of een simpele ziel

< verbastering van koekkapper

Woordenboek der Nederlandsche Taal: koekkapper
onhandig persoon, prutser
< Koekkappen (Kuipers, Corn.-Vervliet, Joos (1900-1904), Teirl.)
1°. volksvermaak waarbij een lange taaie koek, die op een blok wordt gelegd, met een daartoe ingericht bijltje volgens bepaalde regels moet worden doorgehakt.
2°. Doordat koekkappen een vaardigheid vereischt die men pas na veel oefening verwerft, heeft het ook de fig. bet. gekregen van: op eigen gelegenheid experimenteeren, omknutselen, prutsen.

Voorbeelden

Kunt ge niet zien wat ge doet, koekappel?

"Andere vaak gebruikte 'scheldwoorden' zouden volgens De Lijn bloempot, grasgeit, platte pannenkoek en koekappel zijn." (hbvl.be 15 okt. 2013)

zie andere betekenis van koekappel

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025