Dit artikel werd nog niet redactioneel bewerkt en daarom kan de kwaliteit ontoereikend zijn.
Definitie
- Regio: Onbekend
zeer vermoeid, op het einde van de krachten.
< Woordenboek der Nederlandsche Taal: bnw. en bijw. Mnl. jakeloos, westvlaams djakeloos, tsakeloos De Bo (1873).
— Jakeloos loopen (draven, schooien, rondwandelen), moedeloos, troosteloos, verslagen, of iets derg.
"Een man zonder wijf die moet jaqueloos schoyen", Eduard De Dene, Testament Rhetorical (1561)
zie ook djakke, bobijn, mijn ~ is af
Voorbeelden
Van dat namiddagje shoppen ben ik djakeloos gelopen.
Toegevoegd door dsa - VL-WBK 1.0
Gepubliceerd op 10 Sep 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025