Definitie

Status:Onbekend

(verouderd in Nederland)
een wijze, een wijs persoon, een dieperik
een brave man

Woordenboek der Nederlandsche Taal: wijsaard: Wijsgeer, philosoof. Nog in Vlaams-België.
Cleanthes, die groote wijzaerd, leefde eertijds gerustelick van zijn handen en daghelickschen arbeyd. De Brune, Bank. (1657).
Aristoteles, de groote wijzaard. Gezelle (Jubileum-ed.) (1866).
Free zat als een gedaagden wijsaard, met de handen aan zijn kaken, voorovergebogen en hij zegde niets meer. Stijn Streuvels, Minnehandel (1903).

Voorbeelden

"De beide boerendochters luisterden ademloos naar die boeiende verhalen en in stilte zagen zij tegen Marzelien op als tegen een àlwetenden wijzaard, die wonderen kon verrichten." (Cyriel Buysse, Uleken, 1926)

Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Sep 2025 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025