Definitie

Status:Onbekend

1.tweede deel in sommige samengestelde zelfstandige naamwoorden met als eerste deel de stam van een werkwoord, op negatieve wijze verwijzend naar een vrouw; bijvoorbeeld "zagetrien","semmeltrien", "sloddertrien," ...
< verkorting van Katrien

2.in combinatie met een bijv.nw. als typering (meestal om te schelden):
vuil trien, lompe trien, bange trien, zotte trien, ...
zie ook trien 2

vgl. ook [Mie]

Voorbeelden

1.Wat een zagetrien is me dat? Die is nu al een half uur aan 't zeggen dat hare strijk nog gedaan moet worden.

2.Gij se lompe trien, kunt ge niet zien waar dat ge loopt?

Hey onbeleefde trien, plezant he, kunt ge die deur niet efkes openhouden? Nu valt die just voor mijne neus toe.

Toegevoegd door Georges Grootjans - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025