Definitie

niksen
ook, met enige ergernis: staan te niksen terwijl men wacht

Woordenboek der Nederlandsche Taal: Geeloogen. [Gewestelijk]. in Vl.-België. Of het 1ste lid van de samenstelling terecht als bnw. geel moet worden opgevat, is onzeker, omdat er geen duidelijke semantische motivatie is. Mogelijk is het een verbastering van iets anders: den stam van het ww. geeren (?), bnw. geil (?).

  1. Zich vervelen, niets doen:
    "De wandelbrug lag verlaten, slechts een paar lanterfanters koesterden zich in het licht, lagen lui op de balustrade te geeloogen" Baekelmans (1912).
  2. Vruchteloos verlangend wachten:
    Wel kind lief, eindelijk! Waar hebt ge gezeten? Ik sta hier al meer dan een uur te geeloogen, Baekelmans (1912).
  3. Begeeren:
    Naar iets geêloogen. Dat steekt zen oogen uit, begeeren

vergelijk: geilogen, schoonogen

Voorbeelden

Hij heeft daar heel de avond maar staan geelogen.

Ge zijt er eindelijk! Ik sta hier al een uur te geelogen.

Toegevoegd door de Bon - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 24 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025