Definitie

ja ik; aanechting van het persoonlijk voornaamwoord aan ja

1e persoon enkelvoud: joak
2e persoon enkelvoud: joag
3e persoon enkelvoud: joaj/joan (mannelijk), joas (vrouwelijk) en joat (onzijdig)
1e persoon meervoud: joam/joaw
2e persoon meervoud: joag
3e persoon meervoud: joa(n)s
(bron:Wikipedia)

Voorbeelden

Komt de Jef vandaag den hof doen? Joj, hij komt om 5 uur.

Toegevoegd door robke - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 24 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025