swatelaar de ~ (m.), ~s
babbelaar, iem. die voortdurend doorpraat
< swatelen, zwatelen (een frequentatiefvorm)
babbelaar, iem. die voortdurend doorpraat
< swatelen, zwatelen (een frequentatiefvorm)
iemand die onduidelijk spreekt
< swatelen, zwatelen (een frequentatiefvorm)
praatjesverkoper
andere betekenis in Brugs Ommeland: zie swatelaar