krab de ~ (v.), ~ben
rijf, hark
Woordenboek der Nederlandsche Taal: bij krab: Kleine hark met ijzeren of houten tanden (in 't Zuiden der Kempen; Cornelissen-Vervliet)
rijf, hark
Woordenboek der Nederlandsche Taal: bij krab: Kleine hark met ijzeren of houten tanden (in 't Zuiden der Kempen; Cornelissen-Vervliet)
korst (gedroogd bloed op een wonde)
zie ook verzamellemma geneeskunde