DISCLAIMER: Dit artikel werd nog niet redactioneel bewerkt en daarom kan de kwaliteit ontoereikend zijn.

Label(s)

- geen labels gekoppeld.
Betekenis

Woordenboek der Nederlandsche Taal: KAROT
— in Vlaamsch-België ook KAROOT —, znw. vr. Ontleend aan frans carotte (eigenlijk wortel, peen), bij verkorting voor carotte de tabac, ”rouleau de feuilles de tabac” (Littré).

  1. Eigenlijk. Een spilvormige rol gesponnen tabak, waarvan snuiftabak gemaakt wordt.
    ? — Zegsw. Iemand een karot trekken (bij Rutten (1890) ook: wisselen), hem foppen (Cornelissen-Vervliet).
  2. Bij vergelijking. Een rolletje in papier gewikkelde geldstukken; een ”kardoes(je)”. In 't Hageland (Rutten (1890)).

Van Dale 2018:
ka­rot
1627 < Frans ca­rot­te (vgl. kroot)

  1. rol ge­spon­nen ta­bak waar­van snuif werd ge­maakt (symbool: tabaksrol)
    • uitdrukking; BE; niet al­ge­meen iem. een ka­rot trek­ken
    iem. fop­pen, beet­ne­men
  2. BE; niet al­ge­meen rol ge­saus­de pruim­ta­bak
  3. BE; niet al­ge­meen in pa­pier ge­wik­keld rolletje geld­stuk­ken (van de­zelf­de waar­de)

vnw

ook [carot]

Publicatiegegevens
Suggestie door
haloewie - VL-WBK 1.0
Redacteur
Vlaams Woordenboek
Eindredacteur
Vlaams Woordenboek
Publicatiedatum
18/12/2025
Laatste bewerking
18/12/2025

Er zijn van die karottentrekkers die ge op hun eerste-communie-zieltje de absolutie zoudt geven.

Het moet u gegeven zijn, (een gave), om echt karotten te trekken, zoniet valt ge door de mand.

Breng van de bank eens vijf cartouchen (karotten) mee van 50 en 20 eurocent voor wisselgeld.