bruëken

bruëken, ~te, ge~t zw.ww.
Definitie

Status:Onbekend

  • keihard werken, zwoegen
  • wringen, breken, kapot doen

< eigenlijk brooken, uitspraak bruëken

zelfstandig naamwoord: gebruëk
zie ook bruëker, losbruëken

Voorbeelden

Ik probeerde die beton open te breken met de pioche, maar na een uur bruëken en wroeten had ik door dat ik iets anders moest verzinnen.

Bruëkt dat niet kapot.

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025