Definitie

Status:Onbekend

  • weegtoestel dat in de hand wordt gehouden
  • aan de haak wordt het te wegen voorwerp gehangen waardoor de balans doorslaat en het gewicht kan afgelezen worden

Woordenboek der Nederlandsche Taal, bij einsel
Ensel, eusel, uisel, heinsel, huisel enz. —, znw. m. Naar het schijnt van een latijn unciale, dat echter als znw. niet is aangetroffen, verg. unsel (bij Kiliaan).
Unster, bascuul, weeghaak, knipwaag. Gewestelijk in Zuid-Ndl.
— Een einsel steken, de gewichtsindeeling op den arm aanbrengen.
— Het of alles aan den einsel hangen, koopziek zijn (De Bo (1873)).

Klik op de afbeelding
2 pesons

Zie ook zie ook euzzel, neuzel, hurs

Voorbeelden

De buurman hing de zak waar het konijn in zat aan de haak van de einsel en riep dan hoeveel die woog.

Toegevoegd door Kastanjeoog - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 22 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025