Definitie

Status:Onbekend

buik, maag

Woordenboek der Nederlandsche Taal: zak: gewestelijk in Vl.-België.
Maag van het menschelijk of dierlijk lichaam; ook: onderlijf waarin zich de maag en andere ingewanden bevinden, buik. Na het begin van de 18de e. bijna uitsl. nog in gewestelijk taalgebruik aangetroffen.
Pijn in ’t zak: buikpijn, koliek; bij paarden en koeien (Vlaams-België)
Da peäd hee pijn (in) ‘t zak, (Tuerlinckx 1886).
’Et pèèrd hee’ pijn int zak, (Cornelissen-Vervliet 1903).

ook in de Antwerpse Kempen

zie ook zak, zijnen ~ vullen

zie andere definities van zak

Voorbeelden
  • Waar zijn de katten?
  • Ge kent ze toch: zak vol en schuppes! Die zien we voor vanavond niet terug.

Toegevoegd door helle - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 08 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025