kas de ~ (v.), ~sen
bank, spaarbank, spaarkas, kassa
-> Fr. la caisse (= de kassa, de geldkist)
zie ook spaarkaske
in uitdrukkingen:
kas, de ~ spijzen
bank, spaarbank, spaarkas, kassa
-> Fr. la caisse (= de kassa, de geldkist)
zie ook spaarkaske
in uitdrukkingen:
kas, de ~ spijzen
het lijf, het lichaam (pars pro toto)
Woordenboek der Nederlandsche Taal
Benaming voor de maag, den buik, het lichaam.
Zijn kas (kasse;...
kast (meubel), ook als tweede deel van samenstellingen: keukenkas, slaapkamerkas, bureaukas…
vgl. rijs
in uitdrukkingen:
kas, alles uit zijn ~ halen