Vlaams Woordenboek logo

Het Vlaams woordenboek


Index

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Log in

Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.

Uw gebruikersnaam
Uw geheime paswoord

  • Log in
  • Wees welgekomen | Willekeurig | Top woorden | Recent

    Omdat ik het Vlaams Woordenboek al enkele jaren niet meer kan onderhouden, wordt er gewerkt aan een nieuwe versie. Helpers zijn welkom in kanaal #vlaamswoordenboek op de Discord van Nerdland.

    pee

    De beschrijving van deze term werd 26 keer aangepast.

    Versie 26

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < Frans père < Latijn pater
    1. Eigenlijk: vader.
    2. Algemeeen: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze betekenis soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    zie ook verzamellemma mensen

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    > andere betekenis van pee

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door nthn op 19 jan 2020 16:34
    1 reactie(s)

    Versie 25

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < Frans père < Latijn pater
    1. Eigenlijk: vader.
    2. Algemeeen: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze betekenis soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    > andere betekenis van pee

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 29 mrt 2019 17:41
    1 reactie(s)

    Versie 24

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < Frans père < Latijn pater
    1. Eigenlijk: vader.
    2. Algemeeen: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze betekenis soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    > andere betekenis van pee

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 29 mrt 2019 17:38
    1 reactie(s)

    Versie 23

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    > andere betekenis van pee

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 29 mrt 2019 17:33
    1 reactie(s)

    Versie 22

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 12 jul 2018 16:24
    1 reactie(s)

    Versie 21

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje
    3) vader (een beetje neerbuigend)

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    3) Onze pee is met ons mee naar de met.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 11 jul 2018 22:58
    1 reactie(s)

    Versie 20

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 11 jul 2018 20:03
    1 reactie(s)

    Versie 19

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 27 nov 2017 13:01
    1 reactie(s)

    Versie 18

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 27 apr 2017 12:56
    1 reactie(s)

    Versie 17

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 aug 2016 12:51
    1 reactie(s)

    Versie 16

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 aug 2016 12:50
    1 reactie(s)

    Versie 15

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 aug 2016 12:49
    1 reactie(s)

    Versie 14

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 aug 2016 12:49
    1 reactie(s)

    Versie 13

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 aug 2016 12:47
    1 reactie(s)

    Versie 12

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel, peetje

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 05 jul 2016 17:44
    1 reactie(s)

    Versie 11

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel, peetje, vader

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 06 jan 2013 06:06
    1 reactie(s)

    Versie 10

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel, peetje

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 04 dec 2012 00:42
    1 reactie(s)

    Versie 9

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 07 mei 2012 04:24
    1 reactie(s)

    Versie 8

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 07 mei 2012 04:23
    1 reactie(s)

    Versie 7

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 22 jun 2011 13:46
    1 reactie(s)

    Versie 6

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 22 jun 2011 13:43
    1 reactie(s)

    Versie 5

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 15 sep 2009 12:54
    1 reactie(s)

    Versie 4

    pee
    (de ~ (v.), ~ën)

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 27 mrt 2009 14:09
    1 reactie(s)

    Versie 3

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 09 mrt 2008 21:51
    1 reactie(s)

    Versie 2

    pee
    (de ~ (m.), ?)

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 03 feb 2008 10:15
    1 reactie(s)

    Versie 1

    pee

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door aliekens op 17 sep 2007 13:58
    1 reactie(s)

    Developers gezocht!
    De code achter het Vlaams woordenboek heeft dringend een update nodig.
    Wil je deze website graag mee een nieuw leven geven? Ik zoek een team adoptieouders.
    Stuur me een e-mailtje als je wil helpen, merci!

    Het Vlaams woordenboek  |  Concept en realisatie door Anthony Liekens

    Creative Commons License

    Het Vlaams Woordenboek by Anthony Liekens is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 4.0 International License.